"We moeten stoppen met de Amerikanen te kopiëren"

Met zijn nieuwe boek ‘Financieel Management: van Angel tot Zebra’ zet professor Rudy Aernoudt opnieuw de puntjes op de i voor de CFO die op zoek is naar financiering. “Mijn boek is zoals een telefoonboek”, zegt hij.
“Je moet het niet volledig lezen, maar er de juiste informatie uithalen op het moment dat je het nodig hebt.”

U bent niet alleen professor. U bent ook columnist, keynotespreker en sinds maart 2025 ook de kabinetschef van Georges-Louis Bouchez, partijvoorzitter van de MR. Waar vindt u de tijd om daarnaast nog boeken te schrijven?

Aernoudt: “Dat is iets dat iedereen mij vraagt. Er zijn genoeg andere onderwerpen waar ik niets over ken. Ik volg geen sport en kijk geen televisie, dus eigenlijk heb ik een zee van tijd. Lesgeven is mijn hobby, schrijven is een hobby, columns schrijven is dat ook. Ik ben de hele dag bezig met mijn passie en ik ben ervan overtuigd dat als je gemotiveerd bent door je passie, je ook iets goed doet.”

De titel van uw boek is Financieel Management, van Angel tot Zebra. Business Angels kennen we, van waar komt de Zebra?

“Zebra is een beweging die zo’n tien jaar geleden gestart is in de Verenigde Staten. Zo’n drie jaar geleden heb ik het in België geïntroduceerd. We kennen het verhaal van de Unicorns: een bedrijf met een waarde van één miljard. Maar wat betekent dat? WeWork was 46 miljard euro waard in 2019, en plots niets meer, idem voor Klarna: de waardering zakte van 45 miljard plots tot 7 miljard. Dat is een verkeerde benadering, want je probeert je waarde op te pompen in termen van dollars. We moeten een beetje teruggaan en niet gewoon de Amerikanen proberen kopiëren. Het zebraverhaal is een tussenmodel waarbij een bedrijf redelijke winst wil maken, maar ook maatschappelijk iets betekent. Niet wit of zwart, maar wit en zwart.”

Waarom is het nodig om de zoveel jaar uw boek te vernieuwen? Blijven de principes van financiering en financieel management niet dezelfde?

“In de eerste plaats probeer ik het te actualiseren. Daarnaast voeg ik ook steeds meer concrete cases toe. Vanuit mijn contacten met CFO’s hoor ik dat mijn boek gebruikt wordt als naslagwerk omdat er praktische voorbeelden instaan. Dat helpt om de theorie te beheersen. De structuur probeer ik wel aan te houden. Financiering verandert, maar het verandert ook niet. Bankfinanciering zal altijd bankfinanciering blijven, maar de vormen, de kredieten, de waarborgstructuur, de voorwaarden… veranderen. Mijn boek is zoals een telefoonboek: je moet het niet volledig lezen, maar er wel de juiste informatie uithalen op het moment dat je het nodig hebt. Dat geldt natuurlijk niet voor mijn studenten. Het is de bedoeling dat CFO’s ermee hun positie kunnen versterken. Grote bedrijven zullen dit minder nodig hebben, aangezien ze daar zelf departementen voor hebben. Het is vooral voor de KMO, waar de CFO vaak op alle financiële fronten werk levert, en dus niet per se een expert is in financiering.”

“Financiering kan bepalen of een bepaalde investering al dan niet rendabel is.”

Rudy Aernoudt:

De nadruk ligt dus op financiering?

“Ja, al is financieel management natuurlijk een ruimer begrip. In het eerste deel heb ik het over wat financieel management precies is, het tweede deel spitst zich toe op financiering. Dat is een belangrijk onderdeel van financieel management. Dat hangt samen met het investeringsbeleid. Ik leg heel concreet uit wat een goede en een slechte investering is. Vroeger gebeurde het dikwijls dat de CEO de keuze maakt om een bepaalde investering te doen en nadien aan de CFO vraagt om daar geld voor te vinden. Dat is niet de juiste manier: financiering maakt deel uit van de investering. Het kan bepalen of een bepaalde investering al dan niet rendabel is, want je financiering heeft ook een kost.”

“Een CFO is dagelijks bezig met het betalen van facturen, het beheersen van de voorraden en het bedrijfskapitaal. Slechts nu en dan moet die eens naar de bank voor langetermijnfinanciering. Dat is geen dagelijkse bezigheid voor de CFO en er is dus sprake van informatie-asymmetrie wanneer die met een bankier of zijn VC-partner in gesprek is. Het businessplan dat je voorlegt, moet totaal anders zijn bij een bank, een business angel of bij crowdfunding. Als CFO moet je ook je eigen narratief aanpassen. Een bank kijkt naar terugbetalingscapaciteit en houdt van tastbare investeringen die ze als onderpand kunnen gebruiken. Een VC-partner wil er na drie jaar uitstappen en wil zijn geld in meervoud terug, als die je businessplan bekijkt zal die kijken naar je ROI.”

Door het ook over Zebra’s te hebben, wordt duurzaamheid ook belangrijker in financiering?

“Als je een langetermijnperspectief wil hebben wel. Daarom zijn family-offices zo interessant. Zij hebben dat. Als je duurzame investeringen wil die goed doen voor het klimaat merk je dat dat tijd vraagt, en hoe meer impact je wil, hoe langer het duurt. Impactinvesteringen zijn niet compatibel met een VC-financiering die exitgedreven is en na maximaal vijf jaar zijn investering wil terugzien. Dat VC-model moet volledig herdacht worden. Het geeft bovendien een slechte reputatie aan de venture capitalwereld en kan tot conflicten leiden met ondernemers.

Als kabinetschef bent u ook politiek betrokken. Welke passages mogen volgens u in de Wetstraat nog eens herlezen worden?

“Ik ben een grote voorstaander van het SBIC-systeem, Small Business Investment Companies. Dat is een systeem in de Verenigde Staten waarbij VC-fondsen met een bewezen trackrecord erkend worden. Die fondsen halen hun geld op bij pensioenfondsen of private personen, via de financiële markten met een overheidsgarantie. Niet via publieke fondsen. Dat geld komt via de VC-fondsen terecht bij ondernemingen die kapitaal zoeken. Mensen denken dat dit risicovol is voor de overheid, maar dat is het niet. Als er honderden fondsen goedgekeurd worden, die elk investeren in 15 tot 30 startups, dan is je diversificatie zo groot dat het risico quasi nul is. De default is nul, met andere woorden: het kost de overheid niets.
In Europa daarentegen investeren we publiek geld in venture kapitaalfondsen via het Europese Investeringsfonds, of via publieke banken zoals BPI-France of PMV Vlaanderen. Publiek geld vertegenwoordigt al 42% van alle venture kapitaal in Europa. Dat zorgt voor crowding out: als er te veel publiek geld naar fondsen gaat, trekken private investeerders zich terug. De totale venture capitalmarkt in Europa daalde vorig jaar met dertig, veertig procent, ondanks al het publiek geld.”

Wat stel je dan voor?

“Nederland en Zweden zijn de enige twee landen in Europa waar pensioenfondsen actief zijn in de VC-markt. Je voelt ook dat zij veel meer investeringscapaciteit hebben, waardoor ze ook flexibeler zijn qua termijn. Wij hebben die capaciteit niet. Wanneer VC instapt, willen er ze snel weer uit. Bij LBO (leverage buy out) -operaties willen de fondsen maximaal rendement door zo veel mogelijk te lenen. Zo maak je een gezond bedrijf ziek. We moeten dus de pensioenfondsen mobiliseren."

“Ten tweede zou ik het ook over de Bazelreglementering willen hebben. Als je een huis wil kopen, zegt Bazel IV dat je niet meer dan negentig procent mag lenen. Vroeger was dat honderd procent of zelfs honderdtien met alle kosten erbij. Voor een huis van 400.000 euro moet je zelf al 40.000 hebben, met alle kosten erbij heb je 60 tot 70 duizend euro nodig. Veel mensen kunnen dat niet en gaan huren, waardoor die markt onder druk staat. De oplossing is niet om hogere premies of subsidies uit te delen, maar dat je die reglementering herbekijkt en bijvoorbeeld een uitzondering maakt voor jonge mensen. Het zou ook de bouwsector een noodzakelijke boost geven.”

Wat zou u ten slotte nog willen meegeven?

“Ik ben persoonlijk verbouwereerd dat slechts twee procent van de fondsen die geïnvesteerd worden door business angels of venture capital gaat naar vrouwgeleide bedrijven, terwijl dertig procent van de bedrijven geleid wordt door vrouwen. Mijn oproep aan VC: kijk eens naar die bedrijven. De return van vrouwgeleide bedrijven is gemiddeld genomen hoger dan die van mannen. Twee procent is echt onverantwoord.”

“Er bestaat een studie die de vergelijking maakt tussen het ingediende businessplan en wat er in de jaren nadien effectief gebeurd is. Die discrepantie is soms enorm. Het verschil is veel kleiner bij vrouwen. Dat betekent dus dat mannen hun businessplan opblazen, terwijl vrouwen veel realistischer zijn.”

deze-als-kleine-foto.jpg
BIO

Rudy Aernoudt is professor aan de universiteit van Gent, Nancy en het BMI Executive Institute. Daarnaast is hij kabinetschef van Georges-Louis Bouchez, de partijvoorzitter van de MR en is hij auteur, columnist, filosoof en keynotespreker. In 1999 richtte hij het European Business Angel Network (EBAN) op. Voordien bekleedde hij kabinetsfuncties op Europees, federaal, Vlaams en Waals niveau.

Redactie: Nathan Dewaele

Datum
12-02-2026